A
|
 |
Terug |
| A-symptomatische drager |
Iemand met een chronische virusinfectie, die geen ziekteverschijnselen heeft. |
| Acute hepatitis |
Plotseling ontstane ontsteking van de lever. |
| ALT / ALAT |
Alanine aminotransferase, één van de enzymen uit de lever die in het bloed verhoogd zijn bij levercelschade. |
| AMA |
(Anti-mitochondrial antibodies) Antilichamen gericht tegen mitochondriën. Mitochondriën zijn delen van cellen. |
| ANF = ANA |
(Antinucleaire factoren = antinucleaire antilichamen). Auto-antilichamen gericht tegen onderdelen van de celkernen. |
| Anti-HBc |
Antistoffen tegen het hepatitis core antigeen: dit is bij iedereen die ooit in contact is geweest met het hepatitis B-virus positief. Deze antistoffen blijven zeer lang, vaak levenslang, in het bloed aantoonbaar. Deze antistoffen zijn niet aanwezig na vaccinatie. |
| Anti-Hbe |
Antistoffen tegen het hepatitis B e-antigeen. Het e-antigeen is een onderdeel van het hepatitis B-virus. |
| Anti-HBs |
Antistoffen tegen het hepatitis surface antigeen. Het aanwezig zijn van anti-HBs in combinatie met het afwezig zijn van het HBsAg duidt op een genezen hepatitis B-infectie. Ook na een vaccinatie worden deze antistoffen aantoonbaar. Bij een anti-HBs titer groter dan 100 u/l, is er een goede bescherming tegen een infectie met het hepatitis B-virus. |
| Antigeen |
Iets wat lichaamsvreemd is en waartegen antistoffen gemaakt kunnen worden. |
| Antistoffen |
Eiwitten die door het afweersysteem gemaakt worden tegen lichaamsvreemde indringers, zoals bijvoorbeeld een virus dat het lichaam binnen komt. |
| Antivirale middelen |
Medicijnen waarmee virussen kunnen worden bestreden. |
| Ascites |
Vrij vocht in de buikholte; één van de oorzaken kan levercirrose zijn. |
| AST / ASAT |
Aspartaat aminotransferase, één van de enzymen uit de lever die in het bloed verhoogd zijn bij levercelschade. |
| Azothioprim |
(Merknaam Imuran). Middel wat vaak gebruikt wordt bij auto-immuun-ziekten. |
B
|
 |
Terug |
| Besmettelijke ziekte |
Ziekte die door direct of indirect contact kan worden overgedragen. |
| Besmettingsroute |
Manier waarop infectie wordt overgebracht. |
| Bilirubine |
Galkleurstof; afbraakprodukt van het hemoglobine, de rode bloedkleurstof. |
| Biopt |
Klein stukje weefsel dat voor onderzoek wordt afgenomen vanuit een orgaan of huid, zie leverbioptie. |
| Bloedplaatjes |
Ander woord voor thrombocyten, één van de bloedcellen. Ze zorgen voor een belangrijk deel voor de bloedstolling. Het aantal is bij leverziekten soms verlaagd. Bij tekort aan bloedplaatjes kunnen bloedingen optreden en zijn er vaak, soms zonder aanleiding, blauwe plekken. |
| Bloedproducten |
Alle producten welke uit bloed van donoren gewonnen kunnen worden zoals stollingsfactoren, rode bloedcellen, bloedplaatjes enz. |
C
|
 |
Terug |
| Carcinoom |
Een ander woord voor kanker. |
| Catheter: |
Buigzaam buisje. |
| Cellen |
Ons lichaam is opgebouwd uit cellen. Deze vormen verschillende organen elk met een eigen specifieke rol. De lever is opgebouwd uit levercellen (hepatocyten),de galwegen uit galwegcellen (cholangiocyten). De belangrijkste bloedcellen zijn de rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes. |
| Cholangitis |
Galgangontsteking. |
| Cholecystitis |
Galblaasontsteking. |
| Choledocholithiasis |
Galwegstenen. |
| Cholelithiasis |
Galstenen. |
| Cholestase |
Galstuwing (ophoping van de gal); treedt op wanneer het transport van de galvloeistof stagneert. |
| Cholesterol |
Stof die door het lichaam zelf wordt aangemaakt en ook aanwezig is in zeer veel voedingsmiddelen. Een te hoog cholesterol kan hart- en vaatziekten veroorzaken. |
| Chronische infectie |
Een infectie die langdurig aanwezig is en niet geneest. |
| Cirrose |
Onherstelbare verandering van de lever door littekenweefsel, als gevolg van een chronische beschadiging, b.v. een ontsteking. |
| Colitis ulcerosa |
Steriele (dus niet door bacteriën of virussen) ontsteking van de dikke darm die chronisch verloopt. |
| Complicatie |
Nieuwe, vaak onverwachte ontwikkeling in een bestaand ziekteproces. |
| Cyste |
Blaas of holte, gevuld met vloeibare inhoud. |
D
|
 |
Terug |
| Desferal |
Een stof met een zeer hoge aantrekkingskracht voor ijzer. Kan zowel bij onderzoek als bij behandeling van ijzerstapeling gebruikt worden. |
| DKTP vaccinatie |
Is inenting tegen Difterie, Kinkhoes, Tetanus en Polio. |
| DNA |
Deoxynucleïnezuur: Een van de erfelijkheidsdragers van een cel. |
| Ductus choledochus |
Grote galgang, die naar de twaalfvingerige darm loopt |
| Ductus cysticus |
Galblaasbuis. |
| Ductus hepaticus |
Levergalgang. |
E
|
 |
Terug |
| Echografie |
Onderzoek van weefsels en organen, bijvoorbeeld de lever, m.b.v. electronisch geregistreerde geluidsgolven. |
| Encefalopathie |
Verandering van de hersenfunctie zoals veranderd slaap-waak ritme, verwardheid, verminderde concentratie en in het uiterste geval coma. Het kan ontstaan in het eindstadium van een levercirrose. |
| Endoscoop |
Kijkertje om in het lichaam te kijken. |
| ERCP |
(Endoscopische, retrograde cholangiopancreaticografie) Onderzoekmethode om de galwegen in beeld te brengen en een methode om verrichtingen binnen de galwegen uit te voeren. |
| ESWL |
(Extracorporeal shock wave lithotripsy) Schokgolflithotripsie; methode om galstenen te vergruizen. |
F
|
 |
Terug |
| Ferritine |
Eiwit dat ervoor zorgt dat ijzer in de cellen op een onschadelijke manier wordt opgeslagen. |
| Fibrose |
Verzamelnaam van minimale tot ernstige verlittekening van de lever; bij een afnemende leverontsteking kan de mate van fibrose soms verbeteren. |
G
|
 |
Terug |
| Galwegatresie |
Het niet of onvoldoende aangelegd zijn van de galwegen. |
| Gastroscopie |
Kijkonderzoek van de slokdarm, maag en een deel van de dunne darm. Bij dit onderzoek kunnen bv. slokdarmvarices zichtbaar gemaakt worden en bij een bloeding stelpende maatregelen getroffen worden. |
| Geelzucht |
Geelkleuring van de huid en ogen, door stapeling van de galkleurstof (het bilirubine). Dit verschijnsel heeft vele oorzaken zoals leverziekten, ziekten van de galwegen of verhoogde afbraak van rode bloedcellen. |
| Glad spierweefsel |
Glad spierweefsel zijn spieren die buiten de eigen wil van gebruikt worden. (Dit wordt ook wel lengte gestreept spierweefsel genoemd. Dwars gestreept spierweefsel zijn de spieren die we bewust gebruiken.) |
H
|
 |
Terug |
| Hb |
Afkorting van hemoglobine (bloedkleurstof); de ijzerhoudende kleurstof van de rode bloedcellen. |
| HBeAg |
Hepatitis Be antigeen: deel van het hepatitis-B virus. Het kan aangetoond worden bij een acute infectie en blijft in veel gevallen van een chronische infectie ook aanwezig. |
| HbsAg |
Hepatitis B surface antigeen: deel van het oppervlak van het virus. Als dit aantoonbaar is met een test, is de persoon besmet met het hepatitis B virus én is er besmettelijkheid: het virus kan op anderen worden overgedragen. |
| HBV-DNA |
Het erfelijke materiaal van het hepatitis B-virus. |
| Hemochromatose |
Ijzerstapeling die gepaard gaat met beschadiging van cellen en weefsels. |
| Hemofilie |
Bloederziekte. Een stoornis in de bloedstolling, leidend tot een verhoogde bloedingneiging. |
| Hemoglobine |
De rode kleurstof in het bloed. |
| Hepar |
Lever (Latijn). |
| Hepatitis |
Ontsteking van de lever. |
| Hepatitis serologie |
Testen om hepatitis in het bloed aan te tonen. Zie bijvoorbeeld HBsAg, HBeAg,anti-HBs, anti-HBe en anti-HBc. |
| Hepatitis virussen |
Bekende hepatitis virussen zijn het hepatitis A, B, C, D, E virus. Het laatst ontdekte is het hepatitis G/GB virus. Over het beloop is nog weinig bekend. De hepatitis virussen A en E geven alleen een acute hepatitis. De hepatitis virussen B, C en D kunnen zowel een acute als een chronische hepatitis geven. |
| Hepatocellulair carcinoom |
Kanker uitgaande van de lever. Dit in tegenstelling tot uitzaaiingen in de lever van kanker elders in het lichaam. |
| Hepatologie |
Leer (kennis) van de lever. |
| Hib |
Haemophilus Influenzae typeB-virus. |
I
|
 |
Terug |
| Icterus |
Ander woord voor geelzucht. |
| Immuunsysteem |
Het afweersysteem, dat o.a. antistoffen kan maken en een verdediging is tegen binnendringende bacteriën, virussen, schimmels enz. |
| Inenting |
Zie vaccinatie. |
| Infectie |
Ontsteking bijvoorbeeld door bacteriën of virussen. Een infectie kan acuut (plotseling) ontstaan. Een infectie kan genezen of chronisch worden. |
| Injectie |
Inspuiting van een vloeistof via een dunne naald; een injectie is op verschillende manieren te geven; onderhuids (subcutaan), in de spier (intramusculair) of in een bloedvat (intraveneus). |
| Interferon/(PEG)interferon |
Een eiwit dat gemaakt wordt door het lichaam bij infectie, bijv. een virus infectie. Voor de behandeling van hepatitis is het alfa-interferon als medicament beschikbaar. |
L
|
 |
Terug |
| Laparoscoop |
Kijkertje om in de buikholte te kijken. |
| Laparoscopische cholecystectomie |
Het verwijderen van de galblaas met behulp van een laparoscoop. |
| Leucocyten |
Ander woord voor witte bloedcellen. Ze zijn een belangrijk onderdeel van het immuunsysteem. |
| Leverbiopsie |
Het verkrijgen van een stukje leverweefsel door aanprikken van de lever met een holle naald, dat voor verder onderzoek bijv. microscopisch onderzoek kan worden gebruikt. Meestal wordt een biopsie via de huid (percutaan) genomen onder plaatselijke verdoving, soms ook via een kleine kijkoperatie in de buikholte (laparoscopie) onder 'een roesje'. |
| Leverbiopt |
Het stukje weefsel dat door middel van een holle naald uit de lever wordt gehaald om de staat van de lever te beoordelen. |
| Levercentrum |
Afdeling in een (meestal academisch) ziekenhuis gespecialiseerd in onderzoek en behandeling van leverziekten, ook wel afdeling hepatologie genoemd. |
| Levercirrose |
Eindstadium van een leverziekte waarbij door bindweefselvorming de structuur van de lever veranderd is. |
| Leverenzymen |
Er zijn vele leverenzymen. De belangrijkste zijn de AST en ALT, welke een maat kunnen zijn voor levercelbeschadiging. |
| Leverontsteking |
Zie hepatitis. |
| Lithotripsie |
Vergruizen van stenen. |
M
|
 |
Terug |
| Markers |
Aanwijzingen voor de aanwezigheid van virussen, zoals antistoffen, viruseiwitten of genetisch virusmateriaal. |
| Mitochondriën |
Deel van een cel. |
| MRCP |
(Magnetische resonantie cholangiopancreaticografie) afbeeldend onderzoek met behulp van magnetische velden.Kan tegenwoordig ook het ERCP bij onderzoek vervangen. |
| Mutant virus |
Virus dat in geringe mate afwijkt van het normale virus, waardoor er andere laboratorium uitslagen kunnen ontstaan. |
N
|
 |
Terug |
| Necrose |
Verval van cellen, dit kan vele oorzaken hebben zoals b.v. een heftige ontsteking |
| Non-responder |
Iemand waarbij de ziekte niet op de behandeling heeft gereageerd. |
O
|
 |
Terug |
| Oesofagus varices |
Spataderen in de slokdarmwand, een verschijnsel bij portale hypertensie. |
P
|
 |
Terug |
| P -ANCA's |
Auto-antistoffen gericht tegen bepaalde stoffen in de witte bloedcellen van het lichaam (anti-neutrophil cytoplasmatic antibodies) |
| Patholoog anatoom |
Arts gespecialiseerd in onderzoek van weefsels en organen van levende en overleden patiënten. |
| PCR |
Polymerase ketting (chain} reaction: een techniek om zeer kleine hoeveelheden DNA of RNA te vermenigvuldigen en zodoende aan te tonen. |
| Peginterferon |
Interferon dat gekoppeld wordt aan een andere stof, waardoor het langzaam aan de bloedbaan wordt afgegeven en dus minder vaak geïnjecteerd hoeft te worden. (Peg komt van pegylated). |
| Percutaan |
Door de huid heen. |
| Perinatale transmissie |
Besmetting van het kind door de moeder tijdens de zwangerschap en rond de geboorte. |
| Poortader |
Groot bloedvat dat loopt van de darm naar de lever. |
| Portale hypertensie |
Verhoogde bloeddruk in het poortaderstelsel. Eén van de oorzaken is levercirrose. |
| Prednison |
Geneesmiddel dat o.a. ontstekingsremmend werkt en daarom vaak wordt gebruikt bij auto-immuunziekten. |
| Prikaccident |
Algemene term voor verwondingen met scherp, mogelijk besmet materiaal. Dit is vooral een risico voor werkers in de gezondheidszorg. |
| Primaire scleroserende cholangitis (PSC) |
Een ontsteking van de galwegen waarbij vernauwingen ontstaan. |
| PTT/Prothrombine tijd |
Een maat voor de bloedstolling, een van de maten voor het goed functioneren van de lever. |
R
|
 |
Terug |
| Relapse |
Terugval waarbij opnieuw ziekte activiteit ontstaat, nadat door bijvoorbeeld een behandeling de ziekte aanvankelijk leek te zijn verdwenen. |
| Ribavirine |
Antiviraal medicijn, in capsulevorm, dat gebruikt wordt bij hepatitis C infecties, in combinatie met interferon. De voornaamste bijwerking is bloedarmoede. |
| RNA |
Ribonucleïnezuur: een van de erfelijkheidsdragers in een cel. |
S
|
 |
Terug |
| Seksuele overdracht |
Het overbrengen van ziekte bij (onveilig) seksueel contact. |
| Serologie |
Alle onderzoeken om bepaalde stoffen in het bloed aan te tonen. Bijvoorbeeld antistoffen. |
| Slokdarmvarices |
Spataderen in de slokdarmwand. (Zie oesophagus varices). |
| SMA |
(Smooth-muscle antibodies). Anti-lichamen gericht tegen glad spierweefsel. |
| Soa |
Seksueel overdraagbare aandoening. |
| Stent |
Kunststof buis die de vaatwand steunt en openhoudt. Kan ook gebruikt worden voor galwegen, slokdarm, enz. |
| Stollingspreparaat |
Bloedproduct dat voor de behandeling van stollingsstoornissen wordt gebruikt. |
| Symptoom |
Ziekteverschijnsel. |
T
|
 |
Terug |
| Therapie |
Behandeling van een ziekte. |
| Therapie |
Behandeling voor een ziekte. |
| Thrombocyten |
Zie bloedplaatjes. |
| Titer |
Maat voor een serologische test. |
| Transferrine |
Het eiwit dat zorgt voor het transport van ijzer in het bloed. |
| Transplantatie |
Overbrengen van weefsels of een orgaan naar een andere persoon, bijv. een levertransplantatie. |
| Trombose |
Stolsel wat ontstaat in de bloedvaten. |
U
|
 |
Terug |
| Ursodeoxycholzuur |
Geneesmiddel (galzout) dat gebruikt wordt bij diverse leveraandoeningen o.a. omdat het bij galstuwing de schadelijke effecten vermindert. Merknamen Ursochol, Ursofalk. |
V
|
 |
Terug |
| Vaccin |
De stof die wordt toegediend bij inenting, ter voorkoming van ziekte. |
| Vaccinatie |
Toedienen van een vaccin, met als doel voorkoming van ziekte. |
| Veilig vrijen |
Adviezen ten aanzien van seksueel gedrag om overdracht van ziekten te voorkomen, b. v. het gebruik van condoom en beflapje. |
| Verlittekening |
Zie cirrose. |
| Virale hepatitis |
Leverontsteking door een virus. |
| Virus |
Ziekteverwekker, kleiner dan een bacterie. |
| Virusactiviteit |
Mate waarin een virus ziekteverwekkend is. |
W
|
 |
Terug |
| Witte bloedcellen |
Zie leucocyten. |
X
|
 |
Terug |
| Xanthelasmata |
Gelige vetophopingen in de oogleden. |
| Xanthomen |
Vetophopingen onder de huid, vooral op drukplaatsen bv. bij de ellebogen, op de billen. |
Z
|
 |
Terug |
| Zelfinjectie |
Toedienen van medicijnen door middel van injectie gegeven door de patiënt aan zichzelf. |